Ik zit in een OCF-groepje dat nadenkt over mobiliteit, toerisme, werk en wonen. We zouden elkaar zien, we zouden met elkaar Skypen, maar onze agenda's wonnen. Helaas. En toen bedachten we dat we allemaal onze gedachten op papier zouden zetten, om vervolgens verder te gaan praten. Ik begon te dromen...
Transport zorgt voor een grote druk op de wereld. Het leidt tot een grote milieubelasting voor de omgeving, ruimtebeslag, een enorm energiegebruik. Het is een probleem dat iedereen zich realiseert. Daarbij is het merkwaardig dat veel transport onnodig is. We vinden het geen enkel probleem om vanwege economische redenen grondstoffen en (half) producten van hot naar haar te slepen. De gedachte dat het voordelen heeft om wat je lokaal consumeert ook lokaal te produceren, lijkt afwezig te zijn. We zijn onze band met de natuur kwijt geraakt en zijn er aan gewend dat in december hetzelfde assortiment groente en fruit in de winkel ligt als in mei of september.
Daarnaast lijkt er een tendens te zijn dat je wat mogelijk is, ook moet doen. Toeristische uitstapjes naar de meest kwetsbare gebieden op de wereld of zelfs de ruimte in. Alsof er niet genoeg andere plekken zijn waar we het leuk kunnen hebben. En er zijn vastgeroeste patronen: het is redelijk onbegrijpelijk dat werkgevers het geen enkel probleem lijken te vinden om hun medewerkers om negen uur op het werk te willen zien: of ze nu dagelijks in de file staan of niet. Idioot dat flexwerken maar niet van de grond komt. Of dat ’s ochtends een stroom autootjes van bouwbedrijven van Twente naar Zeeland rijdt, om daar projecten uit te voeren. En wellicht (ik heb er minder zicht op) mensen vanuit Zeeland de andere kant op rijden.
In het algemeen is het zinnig om de band met de omgeving te herstellen. Het is toch merkwaardig dat woningen vaak zonder na te denken worden gepland. Waarom zou je rekening houden met de stand van de zon of de richting van de wind, als je je huis met verwarming of een airco toch wel op temperatuur houdt. Terwijl uit tal van voorbeeldprojecten blijkt dat je met een passiefhuis zelfvoorzienend kunt zijn.
Ik geloof sterk in een kleinschaliger, meer lokaal georiƫnteerde samenleving. Een samenleving waarbij basisbehoeften zoals de voedselvoorziening, werk en de energievoorziening lokaal georganiseerd zijn. Woongebieden zijn aantrekkelijk en hebben uitstekende voorzieningen, zodat er voor de bewoners minder aanleiding bestaat om er over grote afstanden op uit te trekken. Inwoners hebben ook collectief zeggenschap over de voorzieningen. Er staat geen anonieme windturbine van een of andere Duitse energiegigant, maar die molen is van ons en dekt onze behoefte. Technische mogelijkheden zijn er voldoende. Denk aan de ontwikkelingen in Wageningen met algenproductie, duurzame energiesystemen, etc. Cradle-to-cradle-denken krijgt een impuls door nieuwe eigendomsvormen, waarbij iemand geen producten bezit, maar ze leaset van de eigenaar.
In theorie is een prikkel om tot zo’n maatschappij te komen dat de kosten van de aantasting van het milieu worden meegenomen in de prijs van de producten. Maar er zijn twijfels of dat systeem mondiaal kan worden ingevoerd. Mogelijk werkt verleiden beter. Een betere kwaliteit van de producten die je gebruikt, tijd die je over houdt door minder werkverkeer, geen of lagere energiekosten in 0-energiewoningen, etc.
Uiteraard blijft er behoefte aan reizen en het leggen van persoonlijke contacten. Dankzij een modern openbaar vervoer systeem is er nog nauwelijks behoefte voor bewoners om zelf een of meer auto’s te hebben. Het systeem bestaat uit onbemand transport van deur tot deur. Op afroep rijdt een module voor, op maat voor het aantal personen dat de rit maakt. Met een systeem dat technisch vergelijkbaar is met de orderpickers in pakhuizen, vinden de modules automatisch lokaal hun weg. Op hoofdtransport-assen vormen ze ‘treinen’ voertuigen.
Technische belemmeringen om dit soort zaken te realiseren zijn er niet. Nederland kan het en dat is direct een uitstekende prikkel. Want hier liggen mooie exportproducten in het verschiet. Een vergelijking met de deltawerken dringt zich op. Als bedrijfsleven in nauwe samenwerking met kennisinstellingen en de overheid daadwerkelijk aan de slag gaan, is zo’n duurzamer toekomst goed haalbaar. De kern lijkt me ‘gewoon’ beginnen, een lange adem hebben en met goede voorbeelden een breed publiek verleiden.