zondag 26 september 2010

Waddenwerkweekend

Ik loop met een grote, stevige vuilniszak door de duinen van Terschelling. In een rap tempo raakt de zak gevuld met flessen, gloeilampen, kapotte ballonnen, netten, scheepstouw, vaten, schoenen, ja wat eigenlijk niet. Als ik om me heen kijk, zie ik tientallen andere vrijwilligers hetzelfde doen. Soms roept er iemand om hulp, als een net of een kabel zo met zand is bedekt, dat het niet lukt om ‘m er alleen uit te trekken. Al snel ontdekken we dat niet alleen op het strand, maar vooral ook in de duinen een enorme hoeveelheid rommel is aangespoeld.

Ik kan zo gauw geen project bedenken dat ik communicatief sterker vind. Het begon een jaar of vier geleden. Een stel vrienden liep over het strand van Terschelling en ergerde zich aan de netten, pallets, flesjes en andere rommel die ze zagen. Ze vroegen zich af of ze een grote groep mensen bij elkaar zouden kunnen krijgen om in een weekend het eiland schoon te maken. De Waddenverenging zag dat idee wel zitten en de Waddenwerkweekenden waren een feit. Het eerste jaar met 140 deelnemers en in 2009 en 2010 ruim 200. Zodra ik ervan hoorde, schreef ik me in. Ik blijk geluk te hebben dat ik mee mag. Want ondanks de eigen bijdrage van een paar tientjes is de belangstelling groter dan het aantal deelnemers dat de organiserende vrijwilligers kunnen behappen.

Het weekend geeft me om verschillende redenen een erg prettig gevoel. Vooraf is het leuk om mensen in mijn omgeving over het concept te vertellen. Vooral liefhebbers van de wadden zijn een beetje jaloers: tussendoor een weekend naar Terschelling en dan ook nog iets terug doen voor het eiland. Bij aankomst in Harlingen is er de nerveuze spanning van een schoolreisje. Verzamelen voor de poffertjeskraam, melden bij iemand van de Waddenvereniging, al naar gelang je groepsnummer een muts in een bepaalde kleur ophalen en je tassen aan boord brengen. Bijna iedereen verzamelt op het bovendek. Al direct zijn er gesprekken: was je vorig jaar ook mee, hoe was het toen. Bij aankomst op het eiland gaan we niet op zoek naar onze eigen bagage, maar iedereen tilt een paar willekeurige spullen in de bagagekar. Een paar uur later vinden we de tassen, tenten en slaapzakken in een wijde kring terug op het grasveld bij de camping.

’s Avonds zijn er lezingen over het grote afvalprobleem in de wereldzeeën. We krijgen extra informatie over pellets: kleine korreltjes kunststof die me nooit waren opgevallen, maar die ik een dag later inderdaad in grote hoeveelheden op het strand zie liggen. Een eng goedje, niet in de laatste plaats omdat vogels ze voor voedsel aanzien en zichzelf vergiftigen. Ik hoor over ballonnen die ‘voor de vrede’, ‘de opening van een fietsenwinkel’, of om een andere feestelijke reden de lucht in zijn gestuurd. Maar die in combinatie met het vrolijke touwtje vogels letterlijk de kop kunnen kosten. De extra motivatie is nauwelijks nodig als we gewapend met vuilniszakken het strand en de duinen uitkammen.

Bij het afscheid horen we dat we 40 kuub afval hebben verzameld. We zijn trots op het resultaat, maar verdrietig omdat we weten dat het hier na de volgende storm weer vol netten en andere rommel ligt. Spullen die op schepen overbodig werden en die ‘dus’ wel overboord konden. Of de waterflesjes die toeristen leeg hadden en waarvan het zo lastig was om ze mee te nemen naar een prullenbak. We warmen ons met de gedachte dat de troep die wij verzamelden in ieder geval niet meer de zee of een dierenmaag in gaat. Sterker nog: alles wordt gesorteerd en opnieuw gebruikt. Volgend jaar zitten we misschien wel op een bankje dat van ‘ons’ plastic is gemaakt.

Als we met de Stortemelk terugvaren naar Harlingen, zwemmen drie zeehonden met ons mee. Een eindje verder liggen er een stuk of tien op een zandbank ons na te kijken. Er zal wel een wetenschappelijke verklaring voor deze belangstelling zijn, maar ik interpreteer het in mijn naïviteit als een bedankje. Tot volgend jaar, mompel ik, in de hoop dat alleen de zeehonden het horen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten