dinsdag 23 november 2010

Kwiebus (chipkaart deel 2)

Hoera, mijn chipkaart werkt. Ik kan reizen op saldo en geniet daarvan. Geen kaartje kopen, maar je pas voor een paal houden en instappen. Mijn reisdoel was het universitair ziekenhuis in Groningen. De reis begon uitstekend. Voor de paal, pieng, zitten, wegrijden. Snelle overstap in Zwolle en volgens schema de aankomst in Groningen. Een beetje raar dat ik me hierover verbaas, maar dat gaat vast wennen als NS echt zo punctueel is als ik wel eens lees.

Op de NS-site heb ik mijn vervolgroute geprint. Om 10 uur vertrekt de bus richting Siddeburen. Niet de eerste route die bij me opkwam om aan de rand van het centrum van Groningen te komen, maar ik geloof de site blind. Ik heb een paar minuten om over te stappen. Da's fijn, want de bus staat in de hoek van het busplein. Gelukkig zit er een dakje boven de halte, want de bus is tien minuten vertraagd. Daar lees of hoor ik niets over, zoals bij routepanelen elders in het land, maar ik merk het. Het effect is hetzelfde, maar voelt minder prettig. Ik stap de treeplank op met mjn chipkaart in de hand en zie dat er wel aanmeldpalen zijn, maar dat ze nog niet werken. Dat komt slecht uit met een vrijwel lege portemonnee. Ik vraag om een kaartje naar het ziekenhuis, maar de chauffeur moet me teleurstellen. Daar komt hij niet. Ik moet bus 8 of 22 nemen. Ik roep iets over de NS-site, maar hij blijft er bij.

Platzak
Bus 22 komt over 10 minuten. Tijd genoeg om even te pinnen. Een automaat ontdek ik niet, maar ik weet dat je bij AH ToGo extra mag pinnen. Alleen pinnen vind ik stom, dus ik bestel een kaasbroodje. Helaas koud. Gewapend met 20 euro meld ik me bij de buschauffeur. Die schudt zijn wijze hoofd. Van zo'n groot bedrag heeft hij niet terug. Ik vermoed humor, maar hij blijft er bij. Ik kieper mijn portemonnee om en heb precies genoeg. Sterker nog, ik houd 5 cent over.

Als voorbereiding koop ik bij het ziekenhuis weer iets onnozels om mijn biljet klein te maken. Bij deze bushalte is geen afdakje maar wel hardere regen. Na 9 minuten wachten ben ik doorweekt. Intussen zie ik een sliert auto's de parkeergarage uitrijden, zoals ik voor de chipkaart ook altijd deed. In gedachten hoor ik Tracey Thorn door de luidsprekers schallen en voer ik in volledige privacy een handsfree telefoongesprek.

De busmaatschappij heet hier Q-buzz. Dat staat vast voor qualitybus. Misschien past rare Kwiebus beter. Het goede nieuws is dat het bedrijf nog potenties heeft om de kwaliteit te verbeteren.

donderdag 18 november 2010

NS is geen openbaar vervoer

In mijn studietijd reisde ik veel met de trein. Later deed ik dat steeds minder frequent en op het laatst 'verkocht ik mijn trein'. Maar een paar frustrerende ervaringen met hele lange files later, begon ik te beseffen dat het best slim is om met de trein naar een afspraak te reizen die zich op station Utrecht afspeelt. Ik besloot dat bij mijn nieuwe visie op het leven ook een statement hoort: ik moest zo'n ov-chip hebben. Dat kwam door medereizigers die ik gadesloeg. Erg gaaf dat je je pasje voor een paal houdt en dat alles geregeld is.

Aanvragen ging best simpel. Wat gegevens achterlaten op de site van de chipkaart en dat was het ongeveer. Vijf dagen later kwam er een brief met pasje thuis. Daar moest ik nog mee naar een geautoriseerd chippunt en ik kon reizen, las ik. Bij het NS-loket kreeg ik een indrukwekkende stempel. Het was denk ik een hobby van de lokettist, stempelen. Hij liet het slaghout met zo’n lel op het papier komen, dat ik instortend kantoormeubilair vreesde. Maar alles bleef heel. Misschien had de man heimwee naar de tijd dat je nog stempels kreeg bij de douane of het postkantoor. Alles wordt anders, maar de NS koestert tussen alle bits en chips de historie. Mooi!

Alles leek me nu in orde, maar het poortje vond dat niet. Door een krappe planning kocht ik toch maar een gewoon kaartje. Thuis achter het computerscherm zou ik alles nog even doornemen. Plots ontdekte ik dat mijn automatisch oplaadbedrag vermoedelijk te laag was. De chipsite had me niet verteld dat NS minstens 20 euro op je kaart wil zien, anders mag je niet mee. Dus ik verhoogde het bedrag en ging vol vertrouwen naar het station. Het paaltje ontdekte toch nog een foutje en gilde heel hard.

De informatiebalie van NS leek me de aangewezen locatie voor meer informatie. Daar dachten meer mensen zo over, maar toen vier ov-gefrustreerden en een niet-Nederlander met een buitenlands reisdoel in alle rust waren geholpen of althans weer wegliepen, kon mijn gesprek beginnen. Met schaamte ontdekte ik mijn naïviteit. Ik had me aangemeld voor reizen met de ov-kaart. Voor de bus was alles nu dik in orde. Alleen reis ik daar nooit mee. Maar bij NS was nog niet bekend dat ik reisplannen had. Daar moest ik me nog apart voor aanmelden. Dat kon niet bij deze mevrouw, omdat een en ander ook met financiële machtigingen van doen had en dat kon zij uiteraard niet verzorgen. Privacy en zo. Mevrouw had de regels niet bedacht, dus het leek me zinloos mijn emoties met haar te delen. Verdrietig was ik wel. Mevrouw was van goede wil: ze gaf me een stukje papier met instructies mee. Niet in de zorgvuldige NS-opmaak met blij lachende treinreizigers van alle leeftijden, maar een ogenschijnlijk zelf getypt briefje. Ik vermoedde veel domme klanten. Dat troostte me.

Na een beetje internetten kreeg ik de overtuiging dat nu toch alles in orde was. Ik liep naar de paal op het NS-station, haalde volgens instructie mijn bestelling 'reizen op saldo' op en hield mijn pasje weer voor de incheckpoort. Helaas. Volgens de loketmedewerker had ik niet aangegeven welke klasse ik wilde reizen. Leek me raar. Aanpassen kon zij niet vanwege een computerstoring. Thuis gedaan, ik dacht alles in orde, bestelling opgehaald, pasje voor de paal. Automatisch laadbedrag lager dan 20 euro. Had ik toch gedaan? Nou ja, foutje zeker. Bij loket, tijdje wachten, kan ik niet voor u doen, belt u 0900 nummer, die regelen het direct. Kwartiertje gepraat, trein gemist, sorry computer stuk, probeert u het vanavond zelf. Aangepast, blij naar afhaalpunt, pasje voor paal, naar de lokettist. Waarschijnlijk is pasje vies. Goed gepoetst, voor de paal, helaas. Dag gewacht, andere lokettist, oh ik zie het al er stond iets fout? Durfde niet te vragen wat. Voor de paal, hé het werkt! Maar ik wil niet reizen. Gauw vragen. Drie minuten wachten, weer pas voor de paal, reis geannuleerd. Dag later, wel een reisdoel, pasje werkt nog steeds.

En zo zat ik te genieten in de stiltecoupé. Ze hebben zelfs gratis draadloos internet. In de stiltecoupé is het echt stil. Nou ja, behalve die bellende mevrouw, maar die vindt denk ik dat ze heel stil belt. Ze is welwillend. Na tien minuten zegt ze tegen de onbekende: 'joh, ik zit in de stiltecoupé, dus ik hang op.' Er is zelfs treinentertainment. Bij elk station zegt de omroeper: 'denk aan uw bagage. En neem die mee!'. Na tien stations is de boodschap niet meer zo verrassend, maar kan je een beetje voorpraten. Ook leuk. Ook reizigers participeren in de humor. Er rennen wat jongeren door de stiltecoupe, terwijl ze, ontzettend leuk, heel hard roepen 'wat een stilte hier'.

Uiteraard regel ik thuisgekomen onmiddellijk het pasje voor mijn dochter (herhaal vanaf alinea 2).

zondag 14 november 2010

Cultuursubsidie is een prima investering

Ik ben een week in Athene, lucky me. Hoog boven me de Acropolis, een van de hoofdredenen dat ik hier ben met mijn gezin. Ik heb er 3 vliegtickets voor over gehad, duur geparkeerd bij de luchthaven, een pendeldienst ingeschakeld en vanaf het vliegveld een taxi genomen naar mijn hotel. Daar heb ik 100 euro per nacht neergelegd voor een prima kamer. In Athene zelf heb ik veel koffie besteld op leuke terrasjes, prima gegeten in restaurantjes en de middenstand verblijd met een aantal inkopen. Het openbaar vervoer is beter van me geworden, doordat ik wat kaartjes heb aangeschaft.

Toch al snel een duizendje of twee voor een week plezier. Dankzij de Acropolis en andere gebouwen die de bevolking in de afgelopen millennia heeft laten staan. En ik ben niet de enige die het geld laat rollen. Ik lees op internet dat er per jaar zo’n 10.000 Nederlanders naar Athene vliegen. En dan hebben we het nog niet over de talrijke Amerikanen, Chinezen en anderen die ik tegenkom. Die Acropolis levert ettelijke miljoenen per jaar op. Geen idee hoe dat ging 4.500 jaar geleden, maar ik kan me voorstellen dat ze ook toen wel eens aanhikten tegen investeringskosten. Maar ze hebben het er dik uit. Het nieuwe filmtheater in Deventer kost een miljoen of 20. Meteen doen, zou ik zeggen.

Is cultuur duur? Lijkt me niet. Ik zit in de Bergkerk voor een mooi concert. Terwijl de musici hun werk doen, droom ik alle kanten op. Na het applaus, realiseer ik me dat ik er weer fris tegenaan kan. Mijn geest is opgeruimd en herordend. Rondom het concert kom ik bekenden tegen en om mij heen zie ik veel mensen druk in gesprek. Hier worden klokken gelijk gezet, plannen gemaakt en ideeën uitgewisseld. De spin off van zo’n concert moet enorm zijn. Duurzaam ook: ik las dat een belangrijke voorwaarde voor maatschappelijk verantwoord leven is dat je geestelijk in balans bent. Want onbalans zorgt voor onnodige consumptie. Denk aan het zoveelste paar schoenen of een vliegreisje naar Athene. Zo’n concert vergt wat subsidiegeld, maar maatschappelijk verdient het zich makkelijk terug.

En dat geldt ook voor de voetbalwedstrijd van onze plaatselijke Jupilerleaguevertegenwoordiger Go Ahead Eagles. Ik heb niet veel met de businesslounge, maar daar worden zaken gedaan. En ook voor de ‘gewone’ supporter is het interessant. Vanuit alle hoeken en gaten van de stad en de regio zie ik ze naar het stadion komen. In het supportershome is iedereen in druk gesprek. De liefde voor de club bindt, slaat bruggen. Er wordt gediscussieerd en veel gelachen. Op de tribune gaat dat onverminderd door. En na de (gewonnen) partij kunnen ze er weer tegenaan.

Tja, en dan blijkt dat het kabinet wil snijden in cultuursubsidies. Daar kan ik me weinig bij voorstellen, want ik ben er van overtuigd dat cultuur meer oplevert dan het kost. Door voorstellingen te bezoeken en door zelf te zingen, te acteren, of op een andere manier bezig te zijn. Gezien het maatschappelijke belang en de hedendaagse netwerksamenleving zou ik er eerder een paar miljoen extra in investeren. Cultuur en sport moet voor iedereen bereikbaar zijn. Dat levert een betere wereld (en voor wie dat belangrijker vindt, ook geld) op!

woensdag 13 oktober 2010

Gewoon doen

Ik zit in een OCF-groepje dat nadenkt over mobiliteit, toerisme, werk en wonen. We zouden elkaar zien, we zouden met elkaar Skypen, maar onze agenda's wonnen. Helaas. En toen bedachten we dat we allemaal onze gedachten op papier zouden zetten, om vervolgens verder te gaan praten. Ik begon te dromen...

Transport zorgt voor een grote druk op de wereld. Het leidt tot een grote milieubelasting voor de omgeving, ruimtebeslag, een enorm energiegebruik. Het is een probleem dat iedereen zich realiseert. Daarbij is het merkwaardig dat veel transport onnodig is. We vinden het geen enkel probleem om vanwege economische redenen grondstoffen en (half) producten van hot naar haar te slepen. De gedachte dat het voordelen heeft om wat je lokaal consumeert ook lokaal te produceren, lijkt afwezig te zijn. We zijn onze band met de natuur kwijt geraakt en zijn er aan gewend dat in december hetzelfde assortiment groente en fruit in de winkel ligt als in mei of september.

Daarnaast lijkt er een tendens te zijn dat je wat mogelijk is, ook moet doen. Toeristische uitstapjes naar de meest kwetsbare gebieden op de wereld of zelfs de ruimte in. Alsof er niet genoeg andere plekken zijn waar we het leuk kunnen hebben. En er zijn vastgeroeste patronen: het is redelijk onbegrijpelijk dat werkgevers het geen enkel probleem lijken te vinden om hun medewerkers om negen uur op het werk te willen zien: of ze nu dagelijks in de file staan of niet. Idioot dat flexwerken maar niet van de grond komt. Of dat ’s ochtends een stroom autootjes van bouwbedrijven van Twente naar Zeeland rijdt, om daar projecten uit te voeren. En wellicht (ik heb er minder zicht op) mensen vanuit Zeeland de andere kant op rijden.

In het algemeen is het zinnig om de band met de omgeving te herstellen. Het is toch merkwaardig dat woningen vaak zonder na te denken worden gepland. Waarom zou je rekening houden met de stand van de zon of de richting van de wind, als je je huis met verwarming of een airco toch wel op temperatuur houdt. Terwijl uit tal van voorbeeldprojecten blijkt dat je met een passiefhuis zelfvoorzienend kunt zijn.

Ik geloof sterk in een kleinschaliger, meer lokaal georiënteerde samenleving. Een samenleving waarbij basisbehoeften zoals de voedselvoorziening, werk en de energievoorziening lokaal georganiseerd zijn. Woongebieden zijn aantrekkelijk en hebben uitstekende voorzieningen, zodat er voor de bewoners minder aanleiding bestaat om er over grote afstanden op uit te trekken. Inwoners hebben ook collectief zeggenschap over de voorzieningen. Er staat geen anonieme windturbine van een of andere Duitse energiegigant, maar die molen is van ons en dekt onze behoefte. Technische mogelijkheden zijn er voldoende. Denk aan de ontwikkelingen in Wageningen met algenproductie, duurzame energiesystemen, etc. Cradle-to-cradle-denken krijgt een impuls door nieuwe eigendomsvormen, waarbij iemand geen producten bezit, maar ze leaset van de eigenaar.

In theorie is een prikkel om tot zo’n maatschappij te komen dat de kosten van de aantasting van het milieu worden meegenomen in de prijs van de producten. Maar er zijn twijfels of dat systeem mondiaal kan worden ingevoerd. Mogelijk werkt verleiden beter. Een betere kwaliteit van de producten die je gebruikt, tijd die je over houdt door minder werkverkeer, geen of lagere energiekosten in 0-energiewoningen, etc.

Uiteraard blijft er behoefte aan reizen en het leggen van persoonlijke contacten. Dankzij een modern openbaar vervoer systeem is er nog nauwelijks behoefte voor bewoners om zelf een of meer auto’s te hebben. Het systeem bestaat uit onbemand transport van deur tot deur. Op afroep rijdt een module voor, op maat voor het aantal personen dat de rit maakt. Met een systeem dat technisch vergelijkbaar is met de orderpickers in pakhuizen, vinden de modules automatisch lokaal hun weg. Op hoofdtransport-assen vormen ze ‘treinen’ voertuigen.

Technische belemmeringen om dit soort zaken te realiseren zijn er niet. Nederland kan het en dat is direct een uitstekende prikkel. Want hier liggen mooie exportproducten in het verschiet. Een vergelijking met de deltawerken dringt zich op. Als bedrijfsleven in nauwe samenwerking met kennisinstellingen en de overheid daadwerkelijk aan de slag gaan, is zo’n duurzamer toekomst goed haalbaar. De kern lijkt me ‘gewoon’ beginnen, een lange adem hebben en met goede voorbeelden een breed publiek verleiden.

zondag 26 september 2010

Waddenwerkweekend

Ik loop met een grote, stevige vuilniszak door de duinen van Terschelling. In een rap tempo raakt de zak gevuld met flessen, gloeilampen, kapotte ballonnen, netten, scheepstouw, vaten, schoenen, ja wat eigenlijk niet. Als ik om me heen kijk, zie ik tientallen andere vrijwilligers hetzelfde doen. Soms roept er iemand om hulp, als een net of een kabel zo met zand is bedekt, dat het niet lukt om ‘m er alleen uit te trekken. Al snel ontdekken we dat niet alleen op het strand, maar vooral ook in de duinen een enorme hoeveelheid rommel is aangespoeld.

Ik kan zo gauw geen project bedenken dat ik communicatief sterker vind. Het begon een jaar of vier geleden. Een stel vrienden liep over het strand van Terschelling en ergerde zich aan de netten, pallets, flesjes en andere rommel die ze zagen. Ze vroegen zich af of ze een grote groep mensen bij elkaar zouden kunnen krijgen om in een weekend het eiland schoon te maken. De Waddenverenging zag dat idee wel zitten en de Waddenwerkweekenden waren een feit. Het eerste jaar met 140 deelnemers en in 2009 en 2010 ruim 200. Zodra ik ervan hoorde, schreef ik me in. Ik blijk geluk te hebben dat ik mee mag. Want ondanks de eigen bijdrage van een paar tientjes is de belangstelling groter dan het aantal deelnemers dat de organiserende vrijwilligers kunnen behappen.

Het weekend geeft me om verschillende redenen een erg prettig gevoel. Vooraf is het leuk om mensen in mijn omgeving over het concept te vertellen. Vooral liefhebbers van de wadden zijn een beetje jaloers: tussendoor een weekend naar Terschelling en dan ook nog iets terug doen voor het eiland. Bij aankomst in Harlingen is er de nerveuze spanning van een schoolreisje. Verzamelen voor de poffertjeskraam, melden bij iemand van de Waddenvereniging, al naar gelang je groepsnummer een muts in een bepaalde kleur ophalen en je tassen aan boord brengen. Bijna iedereen verzamelt op het bovendek. Al direct zijn er gesprekken: was je vorig jaar ook mee, hoe was het toen. Bij aankomst op het eiland gaan we niet op zoek naar onze eigen bagage, maar iedereen tilt een paar willekeurige spullen in de bagagekar. Een paar uur later vinden we de tassen, tenten en slaapzakken in een wijde kring terug op het grasveld bij de camping.

’s Avonds zijn er lezingen over het grote afvalprobleem in de wereldzeeën. We krijgen extra informatie over pellets: kleine korreltjes kunststof die me nooit waren opgevallen, maar die ik een dag later inderdaad in grote hoeveelheden op het strand zie liggen. Een eng goedje, niet in de laatste plaats omdat vogels ze voor voedsel aanzien en zichzelf vergiftigen. Ik hoor over ballonnen die ‘voor de vrede’, ‘de opening van een fietsenwinkel’, of om een andere feestelijke reden de lucht in zijn gestuurd. Maar die in combinatie met het vrolijke touwtje vogels letterlijk de kop kunnen kosten. De extra motivatie is nauwelijks nodig als we gewapend met vuilniszakken het strand en de duinen uitkammen.

Bij het afscheid horen we dat we 40 kuub afval hebben verzameld. We zijn trots op het resultaat, maar verdrietig omdat we weten dat het hier na de volgende storm weer vol netten en andere rommel ligt. Spullen die op schepen overbodig werden en die ‘dus’ wel overboord konden. Of de waterflesjes die toeristen leeg hadden en waarvan het zo lastig was om ze mee te nemen naar een prullenbak. We warmen ons met de gedachte dat de troep die wij verzamelden in ieder geval niet meer de zee of een dierenmaag in gaat. Sterker nog: alles wordt gesorteerd en opnieuw gebruikt. Volgend jaar zitten we misschien wel op een bankje dat van ‘ons’ plastic is gemaakt.

Als we met de Stortemelk terugvaren naar Harlingen, zwemmen drie zeehonden met ons mee. Een eindje verder liggen er een stuk of tien op een zandbank ons na te kijken. Er zal wel een wetenschappelijke verklaring voor deze belangstelling zijn, maar ik interpreteer het in mijn naïviteit als een bedankje. Tot volgend jaar, mompel ik, in de hoop dat alleen de zeehonden het horen.

donderdag 16 september 2010

Wazige toekomst

Komende week praten we bij OCF verder over duurzaamheid. Ik denk er veel over na. Probeer een beeld te schetsen van hoe de wereld er over pakweg 30, 50 of 100 jaar uit ziet. Zijn thema's die we nu belangrijk vinden zoals energie, leefbaarheid, gezondheid en een eerlijke verdeling van rijkdommen ook dan nog de zaken waar het om gaat?

Ik betrap me er keer op keer op dat ik vanuit mijn kennis van het verleden iets zinnig probeer te zeggen over een toekomst die ik niet ken. Ik vraag me af hoe reëel mijn gedachten zijn. Ik denk aan George Orwell, die in 1948 de wereld van 1984 voorspelde. Ik begon er op 1 januari 1984 in te lezen en was blij dat ik het leven toen prettiger ervoer dan hij in zijn boek beschreef. Als ik nu wil nadenken over 2100, moet ik negentig jaar verder. Om een beeld te krijgen van de lengte van die periode, reken ik negentig jaar terug. De eerste wereldoorlog was net afgelopen, de eerste auto's reden door Nederland en vrachtvervoer over de weg was er niet of nauwelijks. Het zou nog decennia duren voor de eerste file ontstond en milieu was voor zover ik weet geen thema.

Ik voel een grote parallel met de worsteling die ik in een zaal zag toen ik er als dagvoorzitter voor stond. Het ging over de regionale uitwerking van het Deltaprogramma, naar aanleiding van het rapport van de Deltacommissie uit 2008. De commissie stelt: “Er moet rekening worden gehouden met een zeespiegelstijging van 0,65 tot 1,30 meter in 2100 en van 2 tot 4 meter in 2200. (…) Het is verstandig om hiermee rekening te houden, zodat de besluiten die worden genomen en de maatregelen die worden getroffen voor lange tijd houdbaar zijn tegen de achtergrond van wat Nederland mogelijk te wachten staat.”

De ambtenaren in de zaal kregen de uitnodiging mee te gaan doen in werksessies om na te denken over randvoorwaarden en mogelijkheden. Er ging maar een enkele hand op toen ik vroeg wie er in ging zitten. Men vond het allemaal maar vaag, bleek. Er was behoefte aan harde cijfers. Met hoeveel water moeten we in ons gebied rekening houden, anders heeft het geen zin om aan de slag te gaan, was het gevoel. Maar het niveau in gemeente X hangt af van een besluit in gemeente Y. En zelfs de huidige computermodellen zijn schijnbaar niet in staat om iets zinnigs over 2100 te berekenen. Er is een andere manier van denken nodig dan de ambtenaren gewend zijn vanuit het werk dat ze vaak al decennia doen. Ik bedacht dat het wellicht handiger is om iedereen die nu in de sector werkt vrij te stellen van deze klus, en er alleen verse, frisse, creatieve schoolverlaters mee aan het werk te laten gaan.

En ik worstel met hetzelfde, nu ik over een duurzame toekomst wil denken. Toch ga ik het proberen: opschrijven wat volgens mij de thema's zijn en daar hopelijk lekker over sparren met teamgenoten die op dit moment vermoedelijk op dezelfde manier worstelen. 'Joined fact finding', noemde een (Nederlandse) inleider het voor een (Nederlands) gehoor. Lelijke term voor een mooi proces.

woensdag 8 september 2010

Smart economics?

Our Common Future 2.0 is gestart. Negentien subgroepen ontwikkelen visies op terreinen zoals afval, maatschappij, bestuur, voeding, sociale media, spiritualiteit en zorg. Ik koos ‘duurzaam’, me niet realiserend dat dit het lastigste thema heet te zijn. Vooral omdat het een brug slaat tussen de bijdragen van de andere groepen en dus een overkoepelend beeld moet schetsen van de maatschappij van morgen.

Mijn groepsgenoten hebben zeer verschillende achtergronden. Er is een student die de invloed van chemische stoffen bestudeert, een ander helpt bedrijven duurzamer te gaan werken, iemand verkoopt ledverlichting, er is een uitvoerder van windenergieprojecten, een expert duurzaam bouwen en zo zitten er meer mensen met nuttige achtergronden aan tafel. Onze gespreksleider vindt dat we het eerst over de definitie van ‘duurzaamheid’ moeten hebben. Dat geeft ons een richting bij alles wat we verder doen. Als schot voor de boeg, suggereert hij om de hele term ‘duurzaamheid’ maar overboord te gooien. Het is een uitgehold begrip, dat te pas en te onpas wordt gebruikt, vindt hij.

Daar is wat voor te zeggen. Aan de andere kant: het is wel een begrip dat bij de niet-ingewijde buitenwereld ongeveer het juiste gevoel oproept. Als ze moeten wennen aan een nieuw woord, zet ons dat misschien tien jaar terug in de tijd, vrees ik. En we moeten toch eigenlijk vooral aan de slag om de buitenwereld te overtuigen van de noodzaak om duurzamer (daar heb je het al) te gaan leven. ‘Ons soort mensen’ snapt de noodzaak wel, al is er naar handelen een ander verhaal, geven we toe. Er komen veel suggesties op tafel: smart economics als eerste. We kauwen er op en zijn verdeeld. De suggestie dat je duurzaamheid alleen voor elkaar krijgt als je dat vertaalt in economische voordelen wil er niet bij iedereen in.

Ik ben een van de aarzelenden. Is het niet dankzij de economische voordelen dat het aantrekkelijk is om garnalen in Nederland uit zee te vissen, rond de Middellandse Zee te pellen en hier op te eten? Zou je dat soort nonsens-transport kunnen beperken door de milieubelasting in de prijs door te berekenen? Moeten we niet naar een ander soort samenleving, waarbij iedere stad zo veel mogelijk zelfvoorzienend is? In grote lijnen: ons eten zelf verbouwen, energieneutraal bouwen en met een collectieve windturbine in de stroombehoefte voorzien? We denken verder en komen op etiketten zoals eco-economy, Mens, Economie en Ecologie en Duurzaam 2.0. De richting is helder en de knoop hakken we later wel door.

Gelukkig gaan we langs digitale weg ook aan de slag met andere zaken. Ik hoop dat we een stip aan de horizon gaan zetten: waar willen we over pakweg 25 jaar zijn en hoe komen we er? Over welke onderwerpen moeten we het eigenlijk hebben en misschien het belangrijkst: hoe zorgen we dat wat we verzinnen ook ergens toe leidt? We moeten straks iets hebben waarmee we lawaai kunnen maken, zeg ik initiatiefnemer Jan Jonker na.

dinsdag 7 september 2010

Verbinden

De aftrap van Our Common Future 2.0. Aan de rand van een kale vlakte staat de voormalige onderhoudswerkplaats van het Haagse energiemaatschappij, nu een verzamelgebouw voor bedrijven die duurzame dingen doen. Het is oppassen als je als voetganger de ingang probeert te bereiken, want er rijden grote hoeveelheden ietwat gefrustreerde automobilisten rond, die tevergeefs een parkeerplek zoeken. Tja, we gaan het hebben over duurzaamheid, dus laten we zelf het goede voorbeeld geven, dacht ik tien minuten geleden toen ik ook geen plek kon vinden. Gelukkig lukte het achter een rommelige bouwmarkt alsnog.

De centrale hal van het verzamelgebouw doet voor het eerst dienst als auditorium. Zo’n 400 stoelen raken allemaal bezet met mensen die bereid zijn twee weken van hun tijd te steken in het ontwikkelen van een visie op de wereld van morgen. De mensen die ik spreek vinden het een geweldig idee om de krachten te gaan bundelen en ook spannend om dat te doen met veelal vreemden. Het woord ‘verbinden’ hoor ik vaak. Misschien slaan we een tikkie door als we dit initiatief een mooi tegenwicht vinden tegen de negatieve levensvisie van Wilders en de zijnen. Niet zeuren, maar aanpakken, willen wij.

Voor de zaal staat Jan Jonker, de man die dit allemaal heeft aangericht. Hij is hoofddocent aan de Nijmegen School of Management van de Radboud Universiteit. Al jaren bezig met maatschappelijk verantwoord en duurzaam ondernemen. Toenemend gefrustreerd dat er kilometers onderzoeksrapporten zijn verschenen, maar dat de wereld in de praktijk nog niet veel duurzamer is geworden. Hij vertelt hoe hij twee jaar geleden zijn boekenkast opruimde en het rapport ‘Our Common Future’ van de commissie Brundtland tegenkwam. Al (her)lezend kwam hij tot de conclusie dat het rapport, 23 jaar later, nog altijd actueel is. Kennelijk is het niet gelukt om zelfs maar één van de in het rapport benoemde problemen op te lossen.

Hij kwam op het idee om een tweede versie van het rapport te schrijven, die rekening houdt met de veranderde wereld. Een internationaal rapport was zijn eerste idee, maar hij accepteerde de adviezen om het concept eerst eens op de schaal van Nederland uit te proberen. Met hulp van zijn studenten kwamen via sociale media de 400 mensen bij elkaar die vrijwillig een bijdrage wilden leveren. Bedrijven waren bereid financieel of in natura te ondersteunen en de Tweede Kamer zette de deuren open om bij de start een toelichting te krijgen. Allen geprikkeld door het inspirerende idee. Een idee ook dat niet mag mislukken. Ik ga er vol tegenaan.

maandag 6 september 2010

Duurzame Tekstschrijver

Het was 18 maart 2010, 3 uur ‘s nachts. Ik werd wakker voor een toiletbezoek en merkte daarna dat mijn hoofd te vol zat om weer in slaap te vallen. Een dag eerder had ik voor mijn samenwerkingsbedrijf Redactieprofs een overzicht gemaakt van mijn teksten over duurzaamheid. Al bladerend door mijn archief was die lijst ook voor mezelf verrassend lang geworden: een brochure voor kavelkopers over duurzaam bouwen, een boekje voor de basisschool over windenergie, rapporten maatschappelijk verantwoord ondernemen voor een bedrijf, een handboek over duurzame bedrijventerreinen, een stapel artikelen voor vakbladen over duurzame energie en duurzaam bouwen… Ik betrapte me op een lekker gevoel: wat een leuke projecten en wat een boeiend, breed en nuttig vakgebied.

Ik hield het niet langer uit in bed en besloot twee websites vast te leggen: www.duurzamedagvoorzitter.nl en www.duurzametekstschrijver.nl. Een eerste stap voor het zichtbaarder maken van dit deel van mijn activiteiten. Maar ik wilde meer: duurzaam ondernemen in de praktijk brengen. Voor een deel gaat dat al vanzelf: ik werk vanuit een modern, optimaal geïsoleerd huis, met een hoog-rendement verwarmingssysteem. Aan woon-werkverkeer doe ik dus niet en de spaarlamp boven mijn bureau vind ik vanzelfsprekend, net als het A-label van mijn auto.

Maar, ik wilde meer, namelijk een deel van mijn tijd beschikbaar stellen voor een nuttig project. En dat kwam zo maar uit de lucht vallen. Op de LinkedIN-groep voor maatschappelijk verantwoord ondernemen wees iemand op ‘Our Common Future 2.0’. Het sprak me direct aan: verspreid over drie maanden besteden de deelnemers vrijwillig twee weken aan het project. Ze investeren tijd, energie en creativiteit in plannen voor de toekomst; uitdagende visies rond verschillende thema’s van duurzaamheid. Het eindresultaat is een boek, dat wordt gebruikt bij een grote eindconferentie op 10 mei 2011.

Morgen is de startbijeenkomst, met zo’n 400 deelnemers. Ik popel!